In de Oud-Walcherse kraamkamer

Bron: Neerlands Volksleven, Pasen 1963

M’n lieve schatteboutje,
Kon ik je ’tmè vertelle,
Hoeveel ik van je houd.

De oude Walcherse liedjes zijn juist daarom zo leerzaam, omdat zij ons een heldere kijk geven op het gemoedsleven van hen die ze zongen. Wat de uiterlijk ietwat stugge minnenden voor geen geld ter wereld van eigen innerlijke gevoelens blootgelegd zouden hebben, dat deden zij vrij en onbeschroomd in hun liedjes:

Ik ebbe ze zo lief,
M’n sukeren artedief.
Nooit anders geen,
Als Pauwelientje alleen.

Het meisje, met wie het ‘zo ver’ was, kon enkel in de zang aan haar stemming lucht geven:

Wat ebbe ze ’r mee te maeken?
Onz’ eigen neutjes te kraeken,
Dat bin toch geen andermans zaeken?
Ik bin stees toet je gerief,
M’n zoe-te-lief!

Er is ook de klacht van het meisje, door haar ontrouwe minnaar verlaten, dat de gevolgen der intimiteit alleen moest dragen:

Ie laet mien, o schande! oe kan ’t bersae;
Onmeedogenlos(?) in m’n emdetje stae.

Laten wij hierover niet uitweiden en het nu eindelijk over de plaats hebben, waar elk minnend meisje steeds terecht komt, als alles een normaal verloop heeft: de kraamkamer.
Gedurende de zwangerschap hadden de aanstaande ouders, familie en kennissen zich en anderen wel honderdmaal afgevraagd wat het worden zou. En de jonge moeder in spe, had dikwijls op stellige toon verzekerd: “’t Oord ‘n broekdraeger. Veels te rumoerig en in de weere, om ’n meisje te kunne wezen”. Een voorspelling die lang niet altijd uitkwam.
In den regel had de bevalling een gunstig verloop. Over het algemeen immers bezaten de Walcherse kraamvrouwen een sterke constitutie.
Men moest er dokter Bart Sivert maar eens over gehoord hebben! Een wat onbehouwen heerschap, dat van 1854 tot 1872 te Oostkapelle gemeentegeneesheer was. “Die Walcherse wijven?” zei hij; “praat me er niet van! Eer dat je er als dokter bij bent, hebben ze al gejongd. Kom je er, dan zitten ze waarachtig al een paar dikke boterhammen met ham of leverworst te eten. Een koorts waar een stadsnuf van omvalt, schudden ze zich van de rug als een eend het water.”
Dat was niets teveel gezegd, al waren die kraamvrouwen niet allemaal zoveel mans als de struise Tona, die wij ons nog uit onze jeugd herinneren. Een stevig gebouwde vrouw, die ‘Tona van Sakke’, zoals ze algemeen genoemd werd. Haar man, een arme boerenarbeider, trok even een scheef gezicht als zij hem vertelde, dat het met haar “weer eens zo was”.
Sakke zweeg even; zei dan doodbedaard: “Zo Tona, weer eentje op de komste? ‘t Is bestig, wuuf. Daer der dertiene eten zâ ’t veertienste ook nog wel an de kost komme. As ’t schip wî mè vlot van staepel loopt, dâ ‘s de oofdzaeke, meise”. “Eit di mè gin zurge over, dat gaet vanselfst,” verzekerde Tona op stellige toon. En dat deed het ook. Als zij voelde dat het ernst werd en een nieuwe wereldburger zich aanmeldde, zei ze bedaard: “ ’t Is op de komste oor. Leit den ouwen deken mer is op de stene vloer, vader Sakke”.
Hij voldeed aan haar verzoek. Een oude molton of katoenen deken werd op de plavuizen uitgespreid. De ‘kudde’, voor zover nog niet de deur uit, werd naar buiten gedreven en de deur stevig gegrendeld. Of ze werd door de oudsten bij buren of familieleden onder dak gebracht.
Dan was na een half uurtje ‘de affaire’ prontjes aan de kant. Alles liep inderdaad van een leien dakje, gelijk het tevoren al dertien keren gedaan had. Zonder dokter, zonder vroedvrouw en — wat niet minder gewicht in de schaal legde — zonder kosten. En enkel met behulp van vader Sakke!
“Jae, jae; ik en den ooievaar binne goeie maatjes; we kenne mekaore”, vertelde Tona aan de boerin van het hof, als die op kindervisite kwam, met zichtbare voldoening. Maar de bezoekster zei later, als ze thuis kwam: “dat het daer bie Sakke net ‘n knienefokkerie was en die Tona der nog groos op gieng ook, den onverstand!”

Een later geslacht vraagt zich wel eens verbaasd af, waar men de moed vandaan haalde een zo groot kindertal op de wereld te helpen. En hoe het kwam, dat juist de allerarmsten de meeste kinderen kregen.
Sloeg de kinderrijke Teeuw van Biggekerke de spijker op de kop, toen hij de op Walcheren algemeen bekende dominee Budding vertelde, wat volgens hem er de oorzaak van was?
“Omdat het 't enigste plezier is dat ‘n erme mieter eit, domenie, en dat niks kost. Dan binne der zeventiene, eer dâ je ’r erg in eit, domenie”.
En Jan, de arbeider van Zwanenhof, die op de gemeentekamer zijn twee en twintigste kind kwam aangeven, vertelde met trots, dat hij ze bij twee vrouwen had geteeld en “ze aollemael van echten bedde waere en gin één wilde loot”.
Dat was alles mooi, doch Vrouw Zorg was veelal een vertrouwde gast in de arbeidersgezinnen. Niet zelden huilden de kinderen, met hun lege magen, zich van honger in slaap. Hun sterftecijfer was ontstellend hoog. Maar dat er nog niet veel meer stierven mag eigenlijk een wonder heten. Met een loon van vier en een halve gulden in de week…..
Als de kinderen en de rijpere jeugd van die tijd later aan eigen kleinkinderen van deze dagen vertelden, deden zij het met ontroerde stem. Bij de herinnering aan al het doorstane leed, kwam er een vreemd-afwezige starende blik in hun door de ouderdom verdofte ogen. Ze keken terug in een ver verleden en zagen zichzelf weer als kinderen, koud en rillerig onder schamele dekking in de ijzige Winternachten. Of voor het naar bed gaan bij moeder soebattend om méér eten. Bij moeder, die zelf schreide‚ omdat het er niet was, en die nog erger honger leed.

In de kraamkamer, het dagelijkse woonvertrek, lag de jonge aanstaande moeder kreunend in de bedstee. De echtgenoot, onbeholpen en onhandig, als de meeste mannen in een dergelijke situatie, vraagt zacht: “Moeje niks ebbe, Mijntje? ‘n Bitje drienke of zo? Kan ‘k niks vô je doe?”
Och ja, hij meent het wel goed, maar hij is op van de zenuwen. De vrouw in de bedstee maakt een ongeduldig afwerend gebaar. „Nee, laet me mè stil leie, man”.
Dan kijkt zij hem even aan. Met die blik, waarmee enkel een liefhebbende vrouw de man die haar hart bezit, vermag aan te zien.
Maar de minne gaf hem een gebiedende wenk. En toen hij op de gang toeliep, volgde zij hem. “ Gaet mer is ‘n stuitje (= poosje) nae schure", zei ze. "Ier in uus loop je toch mer in de wege”, voegde zij er aan toe. “Je briengt ze nog mè meer van de kook. ’k Zâ je wel roepe, as ter iets opdoet”.
En hij weg. Schoorvoetend, maar zonder tegenspreken. In die dagen was het woord van de minne — de baker — in het huis van een kraamvrouw zoiets als de wet van Meden en Perzen. In de veertien dagen dat zij er verbleef, regeerde zij feitelijk al de huisgenoten, tot de anders meestal despotische heer des huizes incluis.
De vrouw in de brede bedstee onderging intussen de gewone loop der natuur. Precies hetzelfde wat haar achterkleindochter, thans in 1963, moet ondergaan, als het ‘zover’ is. Alleen bevalt de laatste niet, of hoogst zelden meer, in een bedstee. Die bedsteden waren ruim en hoog. Men moest op een stoel staan om er in te kunnen klimmen. Een oude schrijver beschreef ze met de volgende woorden: — “Sy syn kwaelyck ingebouwd in de cameren. Hooghe en niet ongelyck aan ’s Landmans hoyberghen”.
Men kon er — wij spreken na vijftigjarige ondervinding — heerlijk in slapen. Ledikanten kende men nog nauwelijks in het Walcherse land.
Wat niet wegnam, dat zij bij een bevalling uiterst ongeschikt waren, voor dokter en kraamvrouw beiden. Maar ruim waren ze wel.

De dokter ‘haalde’ het kind, als het nodig was, en legde het in de schoot van de minne. Nadat deze het de gewone reiniging had doen ondergaan, deed zij iets, wat thans reeds lang in onbruik geraakt is. Na het kleintje de gewone luiers aangedaan te hebben, wikkelde zij het in een kleine katoenen deken, die ver beneden de voetjes neerhing. Dit overhangend gedeelte sloeg zij omhoog over de beentjes van het liggende kind en speldde het daarna over het onderlijfje stevig vast. Zó stevig, dat de kleine beentjes zich roeren noch bewegen konden. Deze dwaze handeling noemde zij: ‘het in de pak doen’. Maar de arme zuigeling zat er in bekneld als in een harnas. En dit duurde maanden.
Sommige jonge moeders verwonderden er zich over, dat de kleine, na de verwijdering van de pak’, opeens veel rustiger en minder schreeuwerig werd.
Tegelijk met ‘de pak’ is ook het oude ‘wiegen’ verdwenen, waardoor tevens de karakteristieke wiegeliedjes ten dode opgeschreven waren:

Kinnetje lei te gaepen,
Noe gaet het zoete slaepen,
Kinnetje kreeg een schoon kontje,
Van Poete ’n kus op der mondje.
Kinnetje dat is zoet en blie,
Anders was ’t Poete’s kinnetje nie.

Veel meer nog dan het liedje zelf, sprak tot de mens die oren bezat om te horen, de moederliefde die in de stem der jonge moeder te beluisteren viel.
Voor iemand uit onze tijd, die een liedje léést, als het vroeger overbekende:

Uutemetuut,
M’n liedje is uut.
En dat gaet nae Ter Veere
Wie de stuurmansdochter trouwt,
Die trouwt een groote komee’re —

lijkt dit klinkklare onzin. Wat het in de grond niet is. Om het te kunnen waarderen, moet men het de jonge moeder bij het wiegje van haar lieveling horen zingen.

Misschien zal iemand dit onderschrijven, maar er dadelijk aan toevoegen: “Gelukkig is dat onzinnige wiegen dan toch ook verdwenen”. Ik moet eerlijk zeggen: ik weer het niet.
Er is vroeger zoveel geweest, dat een latere generatie boudweg afkeurde. Een afkeuring, die men later moest herroepen. Omdat er te veel bewijzen kwamen, dat ‘dwaze’ voorouders het toch maar héél goed voorhadden. En mijn twijfel werd nog levendiger, toen ik februari 1957 in een maandblad voor culturele vorming het volgende las:

De schommelwieg is afgeschaft. Maar onze grootouders waren wijzer. De wieg en dat schommelen waren zeer nuttig. Het kind was in het moederlijf aan beweging gewend. Het heeft die rythmische bewegingen later nóg nodig. In slaap schommelen; wiegen op de schoot; ronddragen op de armen, gepaard gaande met het zingen van liedjes, zij geven het kind grote rust en werken mee aan de geleidelijke ontwikkeling van het gevoelsleven.

Een geneeskundig voorschrift was er, waar de kraamvrouw van vroeger tijd zich stipt aan te houden had: zij moest, na de bevalling, tien dagen in bed blijven. Een vroeger opstaan werd als hoogst gevaarlijk beschouwd, ook van de zijde der medici. In het bijzonder werden de derde en de negende dag na de bevalling kritieke dagen geacht. Dit geschiedde vooral met het oog op koortsen en de zo gevreesde stortingen. Dat waren bloeduitstortingen uit de baarmoeder, die, volgens de gangbare mening, veroorzaakt werden, als het lichaam der kraamvrouw zich niet heel rustig hield. Hoe minder zij in beweging kwam hoe beter voor haar, oordeelde men.
Dat kwam ook het kindje ten goede. Te meer nog als de moeder het zelf zoogde. Want als zij zich opwond of te veel in roere geraakte, vormden zich giftige stoffen in de moedermelk, die voor de zuigeling een ernstig, soms zelfs dodelijk gevaar konden opleveren, beweerde men.
Dan waren er ook nog de voor het menselijk oog onzichtbare kwade geesten. Nijdige wezens, meestal van vrouwen, die in hun aards bestaan een ontuchtig leven geleid hadden, en na hun overgang in een andere sfeer, naijverig waren, op kraamvrouwen, die zich nog wel met een man konden inlaten. Iets waar zij, ook nog na hun dood, fel naar haakten. Ook met het oog op deze geesten was het zaak voor de kraamvrouw, dat zij zich zo stil mogelijk hield en vooral, dat zij in de bedstee bleef om ‘niet hun aandacht te trekken’!
Wel begon het geloof aan deze geesten, althans voor zover het de kraamkamer betrof, in die tijd, circa 1860 -l880‚ reeds te verdwijnen. Een bejaarde baker, die wij er in onze jonge jaren naar vroegen, verklaarde lachend: “Veel geloof‚ hecht ik er nie an. Maar toch….. ik weet het niet. Voor alle zekerheid houd ik mijn kraamvrouwen in bed. Liever neem ik geen risico; het mocht eens waar wezen”.
Men vond het echter uitstekend, dat de jonge moeder zich zoveel mogelijk volstopte met versterkende middelen. In de eerste plaats kwamen melk en eieren daarvoor in aanmerking. Op de boerderij bezat men deze immers in ruime mate. En was de kraamvrouw een arme arbeidersvrouw‚ dan werden deze middelen haar wel van het hof toegestopt‚ als de boerin wat meeleefde met het personeel. De kraamvrouw kreeg ook veel wijn te drinken, ‘as den blauwen het trekken kon’ (= als er voldoende geld voor aanwezig was).
De latere bloedwijn kende men nog niet op Walcherens platteland, maar wel gaf men haar doorgaans Médoc, die als zeer versterkend werd beschouwd.
Op de tiende dag stak de dokter zijn laatste visite af, als alles normaal verliep. Eerst dan gaf hij de jonge moeder vergunning het bed te verlaten. Zeer voorzichtig en aan weerszijden ondersteund, liet de minne haar in manliefs krukstoel plaats nemen. Niet te lang. Zij hunkerde er wel naar, om, ‘vee langer op te bluven’. Maar de minne, die de kans waargenomen had even het bed op te schudden, kende geen genade.

“’t Is lank genoeg geweest vô d'eerste keer”, verklaarde zij, “morge komt wî langst ier, dan kunne me weer zie, as aolles goed gaet”.
Of dan de kraamvrouw al tegen sputterde, bij hoog en bij laag verzekerde dat ze “eelemaele goed was en niks nie mî mankeerde”, het hielp alles geen steek. “Je gaet nae bedde”, besliste de minne, “dat binne aol mè praotjes om langer op te bluven. Jie weet zelfst nog nie wat er goed of kwaad vô je is, en as ‘t mis loopt kriegt de minne ‘t op der kop. Vooruit oor!” En —wij schreven het boven reeds— wat de minne beval, daar viel niet tegen te ageren. Niet zelden vertelden de dienstboden elkander: “’k Zâ den emel danke, as dat zwien ier oprukt en ’t wuuf weer over de vloer komt!”
Zelfs de boer ontkwam niet aan haar invloed. Als hij in de eerste dagen wat lang bij vrouwlief en kleine peuter vertoefde, kreeg hij vrij spoedig te horen: “Rukt noe mer is op! Je maekt het vees te druk. ’t Is meer as lank genoeg geweest vô vandaege. Laeter zul je ‘r nog tied zat voor ebbe om mee eur te koekeloeren”.
En tegen het overeind zittende vrouwtje: “Je ziet zo rood as ‘n pioene van jen eige op te winden. Noe rustig gae leie en is probeere om jen ogen te verschieten. Gauw ’n bitje!” Zeer dikwijls snoof zij dan verachtelijk en liet zij er halfluid op volgen: “Dat eije noe van ventersvolk. Wat bin noe venters eilieve!”

Maar in elk geval meende zulk een vrouwelijke dragonder het werkelijk goed met de kraamvrouw.
Er waren echter ook collega’s, die lange vingers bezaten. Deze hadden aan weerszijden onder hun bovenkeus extra grote zakken aangebracht. Als zij ‘s avonds naar huis gingen, waren die zakken met allerlei etenswaren gevuld. Tot spek en worst van de zolder toe. De kraamvrouw zei wel eens verwonderd: “Is die koffie noé al op?” Of: “M’n (h)eden‚ moet er noe wéér â suker g‘aeld ore?”
Maar dan stoof de min kwasi verontwaardigd op en snauwde: “Dienk je soms dat ik ze viengere? Ik ope dat God me ‘r vô bewaert. As je dat vermeent, zeit het dan liever ronduut, dan bin ‘k zó weg. jae, ik zâ me vô dief uut laete maeke!”
Dan miste de vrouw de moed er verder op in te gaan. En klaagde zij er ‘s avonds over tegen haar man, dan suste deze: “Stille me. Laet nog mer even doe. Binnen drie daegen binne me der weer van af”.

Met de arbeidersvrouw, die pas bevallen was, liep het heel anders. Vooral wanneer zij het ongeluk had, in een drukke tijd in het kraambed te moeten, in hooi of oogsttijd of in de periode van het aardappelrooien. Van een tiendaagse rust in de bedstee was dan voor haar geen sprake. Het was geen zeldzaamheid, als zij reeds de vierde of vijfde dag na haar verlossing, in de wei het hooi bijeen stond te harken. Of op het veld, over de akker kruipend, aardappelen zat te rapen.
“Je kunt dat best goed doe en ‘t bezurg je gin last”, verzekerde de ‘menslievende’ boer, de baas van haar man. Als hij haar — nog te bed liggend — even aan kwam zeggen, dat zij “morgenochtend op den aerepelakker verwacht wier. Omdat de'aerpels ‘oogst nodig uut mochte van de weke. ‘n Bitje kalm an doe en mee beleid te werke gae, dan zû je daer eus nie van wete",beweerde hij.
De volgende morgen zat de arme ziel dan al om acht uur op het aardappelveld. Of zij sneed tarwe, met de brandende augustuszon op haar rug. Haar kindje had zij meegebracht en het wicht achter of tussen een staande hoop tarwe uit de zon neergelegd. Zij moest het immers op tijd zogen......Ook zij kende moederliefde, de arme!
Evenals haar beter gesitueerde sexegenoten stond zij er op, haar lieveling de borst te geven. Iets dat iedere moeder in die tijd vurig begeerde te doen. Een jonge moeder, die geen zog had, voelde dit als een vernedering. Vaak schreide zij over dat gemis in stilte. Zij gevoelde zich geen volwaardige moeder en het ergste voor haar was, dat anderen hetzelfde van haar dachten.

Tenslotte nog enkele historische voorvallen uit de oud-Walcherse kraamkamer. Jane van Gerrit was aan ‘t bevallen. Dokter legde al spoedig de kleine wereldburger op de schoot van de minne.“Da’s nummer één”, verklaarde hij opgewekt, “eens kijken wat er nou volgt.” Gerrit die er wat verwezen bij stond, keek de arts met open mond aan.
“Watte!” zei hij schor van aandoening, “je liegt toch zeker, dokter?” “Ja, ja”, antwoordde de dokter “dat wordt ‘n tweeling, vadertje. Ga maar ‘s wat op zij”.
Gerrit kon in ‘t eerst geen woord uitbrengen. Maar eindelijk viel hij grof uit: “Je liegt of je zeit het om er de gek mee te steken. Twee uut één, — oe kán dat noe!” Maar het luide gekrijt van nummer twee bespaarde de dokter het antwoord. Toen vloog Gerrit op. Woest greep hij de hijgende kraamvrouw bij de arm. “Van wien is dat er een, den dien?” snauwde hij, op de laatstgeborene wijzend. “Mee wien ei jie je ophouwe?” vervolgde hij, “zegge of ik slaen je dood!” Het kostte de dokter heel wat moeite om de woedende man aan het verstand te brengen, dat “twee uut één” een natuurlijk verschijnsel was.
Dan was daar het geval van Keesje van Toon. Toen zijn vrouw van tweelingen beviel, koesterde hij geen twufels, zoals Gerrit voornoemd. Maar toen nummer één aan het daglicht gekomen was en dokter verklaarde dat er nóg een zou volgen, zei het mannetje verslagen: “Ai kaerel!'t Is toch gin waer, meester?”
Snel liep Keesje naar buiten, de avondlucht in. Op de stoep van zijn huisje bleef hij bevend van aandoening staan, nam toen eerbiedig zijn vilten hoedje zonder rand af. Hij boog één knie en bad, hardop: "O onze lieven (H)eere! wil je toch as-je-blief! opouwe mee scheppen?"

Toen hij in het woonvertrekje terugkeerde, was nummer twee ook al aanwezig. “Nou is 't afgelopen, vadertje”, zei de dokter glimlachend.
Keesje knikte dankbaar. “'k Weet het”, antwoordde hij, “ik eb er om gevraegd, dat er gin mi komme zoue”. En àl zijn verdere levensdagen was het gelovige ventje er vast van overtuigd, dat zijn dringende bede de ‘scheppingsvloed’ gestuit had.
Vaak zei hij later tegen Koba, zijn vrouw: “Den emel weet oeveel ofter anders nog biegekomme waere, Koba”.
En tenslotte is er nog het geval van den beenakker (= slager), in wiens woonkamer er ook twee gekomen waren. De dokter verzocht hem, met het walmende looplampje even in de bedstee bij te lichten, daar hij de kraamvrouw onderzoeken moest. Maar de man schudde vastberaden het hoofd.
“Nee dokter, neem me nie kwaelik, mè daér gae 'k nie an begunne. Dan komme er nog meer. Je gelooft toch zeker wel mee mien, dat die kleine smoefels op 't licht afkomme?” De dokter kon praten zoveel hij wilde, de man was er niet toe te bewegen.

J. Vader
Middelburg, Langeviele 57