M’n lieve schatteboutje,
Kon ik je ’tmè vertelle,
Hoeveel ik van je houd.
Ik ebbe ze zo lief,
M’n sukeren artedief.
Nooit anders geen,
Als Pauwelientje alleen.
Het meisje, met wie het ‘zo ver’ was, kon enkel in de zang aan haar stemming lucht geven:
Wat ebbe ze ’r mee te maeken?
Onz’ eigen neutjes te kraeken,
Dat bin toch geen andermans zaeken?
Ik bin stees toet je gerief,
M’n zoe-te-lief!
Er is ook de klacht van het meisje, door haar ontrouwe minnaar verlaten, dat de gevolgen der intimiteit alleen moest dragen:
Ie laet mien, o
schande! oe kan ’t bersae;
Onmeedogenlos(?) in m’n emdetje stae.
Laten wij hierover niet uitweiden en het nu eindelijk over
de plaats hebben, waar elk minnend meisje steeds terecht komt, als alles een
normaal verloop heeft: de kraamkamer.
Gedurende de zwangerschap hadden de aanstaande ouders, familie en kennissen zich
en anderen wel honderdmaal afgevraagd wat het worden zou. En de jonge moeder in
spe, had dikwijls op stellige toon verzekerd: “’t Oord
‘n broekdraeger. Veels te rumoerig en in de weere, om ’n meisje te kunne
wezen”. Een voorspelling die lang niet altijd uitkwam.
In den regel had de bevalling een gunstig verloop. Over het algemeen immers bezaten
de Walcherse kraamvrouwen een sterke constitutie.
Men moest er dokter Bart Sivert maar eens over gehoord
hebben! Een wat onbehouwen heerschap, dat van 1854 tot 1872 te Oostkapelle
gemeentegeneesheer was. “Die Walcherse wijven?” zei hij; “praat me er niet van! Eer dat je er als dokter bij
bent, hebben ze al gejongd. Kom je er, dan zitten ze waarachtig al een paar dikke
boterhammen met ham of leverworst te eten. Een koorts waar een
stadsnuf van omvalt, schudden ze zich van de rug als een eend
het water.”
Dat was niets teveel gezegd, al waren die kraamvrouwen niet allemaal zoveel mans
als de struise Tona, die wij ons nog uit onze jeugd
herinneren. Een stevig gebouwde vrouw, die ‘Tona van
Sakke’, zoals ze algemeen genoemd werd. Haar man, een arme
boerenarbeider, trok even een scheef gezicht als zij hem vertelde, dat het met
haar “weer eens zo was”.
Sakke zweeg even; zei dan doodbedaard: “Zo
Tona, weer eentje op de komste?
‘t Is bestig, wuuf.
Daer der dertiene eten
zâ ’t veertienste
ook nog wel an de kost komme.
As ’t schip wî
mè vlot van staepel loopt,
dâ ‘s de oofdzaeke,
meise”. “Eit di
mè gin zurge over, dat
gaet vanselfst,” verzekerde
Tona op stellige toon. En dat deed het ook. Als zij voelde
dat het ernst werd en een nieuwe wereldburger zich aanmeldde, zei ze bedaard: “
’t Is op de komste oor.
Leit den ouwen deken mer is op de
stene vloer, vader Sakke”.
Hij voldeed aan haar verzoek. Een oude molton of
katoenen deken werd op de plavuizen uitgespreid. De ‘kudde’, voor zover nog
niet de deur uit, werd naar buiten gedreven en de deur stevig gegrendeld. Of ze
werd door de oudsten bij buren of familieleden onder dak gebracht.
Dan was na een half uurtje ‘de affaire’ prontjes aan de kant. Alles liep inderdaad van een leien
dakje, gelijk het tevoren al dertien keren gedaan had. Zonder dokter, zonder
vroedvrouw en — wat niet minder gewicht in de schaal legde — zonder kosten. En
enkel met behulp van vader Sakke!
“Jae, jae; ik en den
ooievaar binne goeie
maatjes; we kenne mekaore”,
vertelde Tona aan de boerin van het hof, als die op
kindervisite kwam, met zichtbare voldoening. Maar de bezoekster zei later, als
ze thuis kwam: “dat het daer bie Sakke
net ‘n knienefokkerie was en die Tona
der nog groos op gieng ook, den onverstand!”
Een later geslacht vraagt zich wel eens verbaasd af, waar
men de moed vandaan haalde een zo groot kindertal op de wereld te helpen. En
hoe het kwam, dat juist de allerarmsten de meeste kinderen kregen.
Sloeg de kinderrijke Teeuw van Biggekerke de spijker
op de kop, toen hij de op Walcheren algemeen bekende dominee Budding vertelde,
wat volgens hem er de oorzaak van was?
“Omdat het 't enigste plezier is dat ‘n
erme mieter eit,
domenie, en dat niks kost. Dan binne
der zeventiene, eer dâ je
’r erg in eit, domenie”.
En Jan, de arbeider van Zwanenhof, die op de gemeentekamer
zijn twee en twintigste kind kwam aangeven, vertelde met trots, dat hij ze bij
twee vrouwen had geteeld en “ze aollemael van echten
bedde waere en gin één wilde
loot”.
Dat was alles mooi, doch Vrouw Zorg was veelal een vertrouwde gast in de arbeidersgezinnen.
Niet zelden huilden de kinderen, met hun lege magen, zich van honger in slaap.
Hun sterftecijfer was ontstellend hoog. Maar dat er nog niet veel meer stierven
mag eigenlijk een wonder heten. Met een loon van vier en een halve gulden in de
week…..
Als de kinderen en de rijpere jeugd van die tijd later aan eigen kleinkinderen van
deze dagen vertelden, deden zij het met ontroerde stem. Bij de herinnering aan
al het doorstane leed, kwam er een vreemd-afwezige starende blik in hun door de
ouderdom verdofte ogen. Ze keken terug in een ver verleden en zagen zichzelf
weer als kinderen, koud en rillerig onder schamele dekking in de ijzige Winternachten.
Of voor het naar bed gaan bij moeder soebattend om méér eten. Bij moeder, die
zelf schreide‚ omdat het er niet was, en die nog erger
honger leed.
In de kraamkamer, het dagelijkse woonvertrek, lag de jonge
aanstaande moeder kreunend in de bedstee. De echtgenoot, onbeholpen en
onhandig, als de meeste mannen in een dergelijke situatie, vraagt zacht: “Moeje niks ebbe, Mijntje? ‘n Bitje
drienke of zo? Kan ‘k niks vô je doe?”
Och ja, hij meent het wel goed, maar hij is op van de zenuwen. De vrouw in de bedstee
maakt een ongeduldig afwerend gebaar. „Nee, laet me mè stil leie, man”.
Dan kijkt zij hem even aan. Met die blik, waarmee enkel een liefhebbende vrouw de
man die haar hart bezit, vermag aan te zien.
Maar de minne gaf hem een gebiedende wenk.
En toen hij op de gang toeliep, volgde zij hem. “
Gaet mer is ‘n stuitje (= poosje)
nae schure", zei ze.
"Ier in uus loop je toch mer in de wege”, voegde zij er aan toe. “Je briengt ze
nog mè meer van de kook. ’k Zâ je wel roepe, as ter iets opdoet”.
En hij weg. Schoorvoetend, maar zonder tegenspreken. In die dagen was het woord
van de minne — de baker — in het huis van een
kraamvrouw zoiets als de wet van Meden en Perzen. In de veertien dagen dat zij
er verbleef, regeerde zij feitelijk al de huisgenoten, tot de anders meestal
despotische heer des huizes incluis.
De vrouw in de brede bedstee onderging intussen de
gewone loop der natuur. Precies hetzelfde wat haar achterkleindochter, thans in
1963, moet ondergaan, als het ‘zover’ is. Alleen bevalt de laatste niet, of
hoogst zelden meer, in een bedstee. Die bedsteden waren ruim en hoog. Men moest
op een stoel staan om er in te kunnen klimmen. Een oude schrijver beschreef ze
met de volgende woorden: — “Sy syn
kwaelyck ingebouwd in de cameren.
Hooghe en niet ongelyck aan
’s Landmans hoyberghen”.
Men kon er — wij spreken na vijftigjarige ondervinding — heerlijk in slapen. Ledikanten
kende men nog nauwelijks in het Walcherse land.
Wat niet wegnam, dat zij bij een bevalling uiterst ongeschikt waren, voor
dokter en kraamvrouw beiden. Maar ruim waren ze wel.
Kinnetje lei te gaepen,
Noe gaet het
zoete slaepen,
Kinnetje kreeg een schoon kontje,
Van Poete ’n kus op der mondje.
Kinnetje dat is zoet en blie,
Anders was ’t Poete’s kinnetje nie.
Veel meer nog dan het liedje zelf, sprak tot de mens die
oren bezat om te horen, de moederliefde die in de stem der jonge moeder te
beluisteren viel.
Voor iemand uit onze tijd, die een liedje léést, als
het vroeger overbekende:
Uutemetuut,
M’n liedje is uut.
En dat gaet nae Ter Veere
Wie de stuurmansdochter trouwt,
Die trouwt een groote komee’re —
lijkt dit klinkklare onzin. Wat het in de grond niet is. Om het te kunnen waarderen, moet men het de jonge moeder bij het wiegje van haar lieveling horen zingen.
Misschien zal iemand dit onderschrijven, maar er dadelijk
aan toevoegen: “Gelukkig is dat onzinnige wiegen dan toch ook verdwenen”. Ik
moet eerlijk zeggen: ik weer het niet.
Er is vroeger zoveel geweest, dat een latere generatie boudweg afkeurde. Een afkeuring,
die men later moest herroepen. Omdat er te veel bewijzen kwamen, dat ‘dwaze’
voorouders het toch maar héél goed voorhadden. En mijn twijfel werd nog
levendiger, toen ik februari 1957 in een maandblad voor culturele vorming het
volgende las:
De schommelwieg is afgeschaft. Maar onze grootouders waren wijzer. De wieg en dat schommelen waren zeer nuttig. Het kind was in het moederlijf aan beweging gewend. Het heeft die rythmische bewegingen later nóg nodig. In slaap schommelen; wiegen op de schoot; ronddragen op de armen, gepaard gaande met het zingen van liedjes, zij geven het kind grote rust en werken mee aan de geleidelijke ontwikkeling van het gevoelsleven.
Een geneeskundig voorschrift was er, waar de kraamvrouw van
vroeger tijd zich stipt aan te houden had: zij moest, na de bevalling, tien
dagen in bed blijven. Een vroeger opstaan werd als hoogst gevaarlijk beschouwd,
ook van de zijde der medici. In het bijzonder werden de derde en de negende dag
na de bevalling kritieke dagen geacht. Dit geschiedde vooral met het oog op
koortsen en de zo gevreesde stortingen.
Dat waren bloeduitstortingen uit de baarmoeder, die, volgens de gangbare
mening, veroorzaakt werden, als het lichaam der kraamvrouw zich niet heel
rustig hield. Hoe minder zij in beweging kwam hoe beter voor haar, oordeelde men.
Dat kwam ook het kindje ten goede. Te meer nog als de moeder het zelf zoogde. Want
als zij zich opwond of te veel in roere geraakte, vormden zich giftige stoffen in de
moedermelk, die voor de zuigeling een ernstig, soms zelfs dodelijk gevaar
konden opleveren, beweerde men.
Dan waren er ook nog de voor het menselijk oog onzichtbare kwade geesten. Nijdige
wezens, meestal van vrouwen, die in hun aards bestaan een ontuchtig leven
geleid hadden, en na hun overgang in een andere sfeer, naijverig
waren, op kraamvrouwen, die zich nog wel met een man konden inlaten. Iets waar
zij, ook nog na hun dood, fel naar haakten. Ook met het oog op deze geesten was
het zaak voor de kraamvrouw, dat zij zich zo stil
mogelijk hield en vooral, dat zij in de bedstee bleef om ‘niet hun aandacht te
trekken’!
Wel begon het geloof aan deze geesten, althans voor zover het de kraamkamer betrof,
in die tijd, circa 1860 -l880‚ reeds te verdwijnen.
Een bejaarde baker, die wij er in onze jonge jaren
naar vroegen, verklaarde lachend: “Veel geloof‚ hecht ik er nie
an. Maar toch….. ik weet het
niet. Voor alle zekerheid houd ik mijn kraamvrouwen in bed. Liever neem ik geen
risico; het mocht eens waar wezen”.
Men vond het echter uitstekend, dat de jonge moeder zich zoveel mogelijk volstopte
met versterkende middelen. In de eerste plaats kwamen melk en eieren daarvoor
in aanmerking. Op de boerderij bezat men deze immers in ruime mate. En was de
kraamvrouw een arme arbeidersvrouw‚ dan werden deze middelen haar wel van het
hof toegestopt‚ als de boerin wat
meeleefde met het personeel. De kraamvrouw kreeg ook veel wijn te drinken, ‘as
den blauwen het trekken kon’ (= als er voldoende geld voor aanwezig was).
De latere bloedwijn kende men nog niet op Walcherens platteland, maar wel gaf men
haar doorgaans Médoc, die als zeer versterkend werd beschouwd.
Op de tiende dag stak de dokter zijn laatste visite af, als alles normaal
verliep. Eerst dan gaf hij de jonge moeder vergunning het bed te verlaten. Zeer
voorzichtig en aan weerszijden ondersteund, liet de minne haar in manliefs
krukstoel plaats nemen. Niet te lang.
Zij hunkerde er wel naar, om, ‘vee langer op te bluven’.
Maar de minne, die de kans
waargenomen had even het bed op te schudden, kende geen genade.
“’t Is lank genoeg geweest vô d'eerste keer”, verklaarde zij, “morge komt
wî langst ier, dan kunne me weer zie, as aolles goed gaet”.
Of dan de kraamvrouw al tegen sputterde, bij hoog en bij laag verzekerde dat ze
“eelemaele goed was en niks nie mî mankeerde”, het hielp
alles geen steek. “Je gaet nae bedde”, besliste de minne, “dat
binne aol mè praotjes om langer op te bluven. Jie weet zelfst nog nie wat er goed of
kwaad vô je is, en as ‘t mis loopt kriegt de minne ‘t op der kop. Vooruit oor!” En
—wij schreven het boven reeds— wat de minne beval, daar viel niet tegen te ageren.
Niet zelden vertelden de dienstboden elkander: “’k Zâ den emel danke, as dat zwien ier oprukt en ’t
wuuf weer over de vloer komt!”
Zelfs de boer ontkwam niet aan haar invloed. Als hij in de eerste dagen wat
lang bij vrouwlief en kleine peuter vertoefde, kreeg hij vrij spoedig te horen:
“Rukt noe mer is op! Je maekt het vees te druk. ’t Is meer as lank genoeg geweest vô
vandaege. Laeter zul je ‘r nog tied zat voor ebbe om mee eur te koekeloeren”.
En tegen het overeind zittende vrouwtje: “Je ziet zo rood as ‘n pioene van jen eige op te winden.
Noe rustig gae leie en is probeere om jen ogen te verschieten. Gauw ’n bitje!” Zeer dikwijls
snoof zij dan verachtelijk en liet zij er halfluid op volgen: “Dat
eije noe van ventersvolk. Wat bin noe venters eilieve!”
Maar in elk geval meende zulk een vrouwelijke dragonder het
werkelijk goed met de kraamvrouw.
Er waren echter ook collega’s, die lange vingers bezaten. Deze hadden aan weerszijden
onder hun bovenkeus
extra grote zakken aangebracht. Als zij ‘s avonds naar huis gingen, waren die
zakken met allerlei etenswaren gevuld. Tot spek en worst van de zolder toe. De
kraamvrouw zei wel eens verwonderd: “Is die koffie noé
al op?” Of: “M’n (h)eden‚ moet er noe wéér â suker g‘aeld ore?”
Maar dan stoof de min kwasi verontwaardigd op en snauwde:
“Dienk je soms dat ik ze viengere? Ik ope dat God me ‘r vô bewaert. As je dat vermeent,
zeit het dan liever ronduut, dan bin ‘k zó weg. jae, ik zâ me vô dief uut
laete maeke!”
Dan miste de vrouw de moed er verder op in te gaan. En klaagde zij er ‘s avonds
over tegen haar man, dan suste deze: “Stille me. Laet
nog mer even doe. Binnen drie daegen binne me der weer van af”.
Toen hij in het woonvertrekje terugkeerde, was nummer twee ook al aanwezig.
“Nou is 't afgelopen, vadertje”, zei de dokter glimlachend.
Keesje knikte dankbaar. “'k Weet het”, antwoordde hij, “ik eb er om gevraegd,
dat er gin mi komme zoue”. En àl zijn verdere
levensdagen was het gelovige ventje
er vast van overtuigd, dat zijn dringende bede de ‘scheppingsvloed’ gestuit
had.
Vaak zei hij later tegen Koba, zijn vrouw: “Den emel weet oeveel
ofter anders nog biegekomme waere, Koba”.
En tenslotte
is er nog het geval van den beenakker (= slager), in wiens woonkamer er ook twee gekomen waren.
De dokter verzocht hem, met het walmende
looplampje even in de bedstee bij te lichten, daar
hij de kraamvrouw onderzoeken moest. Maar de man schudde vastberaden het
hoofd.
“Nee dokter, neem me nie kwaelik, mè daér gae 'k nie an
begunne. Dan komme er nog meer. Je gelooft toch zeker wel mee
mien, dat die kleine
smoefels op 't licht afkomme?” De dokter kon praten zoveel hij wilde, de
man was er niet toe te bewegen.