De laatste reis

Bron: Jan Vader, Oud Walcheren [Uitgeverij G.W. den Boer, Middelburg, 1970]

Het huwelijk brengt nakomelingen. Deze zwermen op hun beurt uit het ouderlijk nest en vormen nieuwe gezinnen. De ouders worden grootvader en grootmoeder en na langere of kortere tijd is het uur daar, dat de stramme leden voor het laatst worden gestrekt.

Het begraven ging vroeger op WaIcheren anders dan tegenwoordig.

Na een sterfgeval werden in de woning, waarin het stoffelijk overschot stond opgebaard, de spiegels omgekeerd, dus met het glas naar de wand gehangen. Een grote bundel stro werd naast de buitendeur geplaatst, ten teken, dat er een dode in het huis was. Was dit een kindje, dan was de bundel klein. De kant van de deur, waar het stro stond, duidde aan of de overledene van het mannelijk of van het vrouwelijk geslacht was.

De gordijnen werden overal in de woning van de ramen verwijderd en de luiken buiten bijna geheel gesloten. In de voorkamer was het dus haIfdonker. Zes weken lang moest het gezin in deze sombere ruimte doorbrengen. Een traditie, waartegen niemand zich durfde verzetten.

De “wete”, een kennisgeving van overlijden, werd alleen gedaan aan de familie en zeer intieme kennissen. De vrouwen begaven zich in de rouw door het dragen van doffe zwarte doeken en beuken en dito kralen. 's Zondags werden geen “strikken”, doch in plaats daarvan aan de krullen lange zwarte “klokken” gedragen. Dof zwart werd gedragen bij het overlijden van ouders, echtgenoot en kinderen; voor alle andere familieleden werd halve rouw gedragen: witte stippeltjes op zwarte grond. De rouwdracht der mannen bestond slechts uit een zwarte halsdoek en een z.g. roosje aan de zijde van de pet. Aan de verdere kleding veranderde niets. Zij, die een hoed plachten te dragen, wonden daar een zwarte brede band om. De ambachtslieden verwisselden hun lichte boezeroenen voor zwarte en bij allen werden de bontgekleurde zakdoeken vervangen door witte.

De zware rouw werd vijftien maanden gedragen; dan volgde nog drie maanden lichte rouw.

Alleen familieleden werden voor de begrafenis uitgenodigd, een enkele maal ook zeer goede bekenden en wanneer de overledene een openbaar of kerkelijk ambt had bekleed, ook zijn collega's.

In het sterfhuis ging de predikant voor in gebed en las na het koffiedrinken een hoofdstuk uit de Bijbel, meestal de negentigste psalm, waarna hij nog een stichtelijk woord sprak.

De acht naaste buren ter weerszijden van de woning kwamen meestal wat later en gebruikten de koffie in de bakkeet. Klokslag 12 begaven deze buren, die als dragers zouden fungeren, zich naar buiten. Een hunner vatte post bij de deur en de anderen stelden de lijkbaar op, die de grafdelver der gemeente reeds gebracht had, waarna zij ieder een glas brandewijn in ontvangst namen. Op een schoteltje lagen takjes rozemarijn of wijnruit, waarvan er elk een in de mond nam. Vervolgens droegen zij de lijkkist naar buiten en zetten deze op de baar. Een groot zwart kleed, de “pille” werd er over uitgespreid en iedere drager nam zijn plaats in, de kortste personen van voren, de langste van achteren.

Inmiddels hadden de mannelijke familieleden zich voor de droeve tocht gereed gemaakt. De vrouwen gingen nooit mee naar het kerkhof. De drager bij de deur las de naam, leeftijd en sterfdag van de overledene voor en nodigde de familieleden uit zich achter de baar op te stellen. De predikant sloot de stoet. Alleen van verder afgelegen hoeven werd de lijkkist per wagen naar de dodenakker gevoerd; anders werd de tocht te voet afgelegd en de dode naar zijn laatste rustplaats gedragen.

Op het kerkhof werden, na het neerlaten der kist, door de predikant nog enkele woorden gesproken; daarna keerde men in dezelfde rij en volgorde terug. Aan de deur van het sterfhuis dankte de naaste bloedverwant de dragers. Hiervoor bestond de geijkte formule: “De vrienden worden bedankt voor de laatste eer, aan onze geliefde overledene bewezen en worden allen binnen verzocht.”

De vrouwen hadden reeds de maaltijd gereed gemaakt. De predikant las na het eten weer een “kapittel” en ging in dankgebed voor. Spoedig daarna zetten de diensters rookwaar gereed en verscheen de thee.

Het einde van de plechtigheid kwam 's avonds. Dan schreef de vader of de oudste zoon naam, geboorte- en sterfdatum van de overledene op het schutblad van de Statenbijbel, die tevens als familieregister dienst deed.

Jan Vader