Standen

Bron: Jan Vader, Oud Walcheren [Uitgeverij G.W. den Boer, Middelburg, 1970]

De bevolking van het Walcherse platteland bestond in de laatste decennia uit vier -eigenlijk vijf- standen.

Bovenaan stonden de bewoners en eigenaren der buitenplaatsen en landgoederen. Deze trof men vooral aan in Domburg, Oostkapelle en Koudekerke. Vele buitenplaatsen waren in de 19e eeuw al verdwenen of gedegradeerd tot boerderijen.

De bewoners van de overgebleven landhuizen waren voor de andere standen het “ 'erevolk”. Hiertoe werden ook, hoewel een graad lager, de dokter, de dominee en de notaris van het dorp gerekend.

De hogere stand liet zich weinig met de lagere in. Wel verschaften zij op hun buitens aan vele handen werk. Arbeid op een buitenplaats was zeer in trek; het werk was er veel lichter en de arbeidsduur korter dan op de boerderijen. Wie het tot koetsier of tuinman op een buiten bracht, kwam wat hoger op de maatschappelijke ladder en was in de ogen der boerenarbeiders een hele piet. Ook de meisjes prefereerden een betrekking bij een mevrouw boven het zware werk op een hofstede.

Als de heren het baantje van burgemeester hunner gemeente ambieerden, wat veel voorkwam, kostte het hun niet veel moeite dat te krijgen, want zij hadden vaak in regeringskringen relaties. In dat geval kwamen zij iets meer in contact met de gemeenteleden, maar anders lieten zij deze het liefst links liggen en vormden een zeer exclusief coterietje. De meeste buitenbewoners bezaten hofsteden of landerijen in hun gemeente en waren grootgrondbezitters. Uitgezonderd bij enkelen, die van oude adel waren, vond hun fortuin meestal zijn oorsprong in de enorme inkomsten uit Indië in de 17e en 18e eeuw.

Met de pachters van hun hofsteden bemoeiden de heren zich even weinig als met de dorpelingen. Was het met de vader altijd goed gegaan, dan volgde de zoon hem als pachter op, dat was een ongeschreven wet, waarvan de heren eigenaars maar zelden afweken.

Overigens deden de bewoners der buitenplaatsen even weinig voor de maatschappelijke verbetering van de laagste stand als de boeren. Heerszucht en bazigheid waren ook in hun stand meer regel dan uitzondering. Een enkele maal was er echter wel eens een dame uit deze kring, die zich met maatschappelijk en liefdadig werk bezig hield en wier arbeid vruchten afwierp.

De “meesters“ stonden zo'n beetje tussen de hogere stand en de dorpelingen in. Zij waren te weinig in aantal om van een stand te kunnen spreken. Christelijke scholen vond men vóór 1880 op Walcheren weinig; alle onderwijs werd gegeven op openbare scholen. Meer dan een “bovenmeester“ en twee onderwijzers of “ondermeesters“ waren er in een dorp zelden. Bij de bewoners der buitens kwamen zij voor maatschappelijke of intieme omgang niet in aanmerking en voor de andere standen stonden zij in ontwikkeling weer te hoog. Die ontwikkeling moet men echter ook weer niet te hoog aanslaan. Een onderwijzer uit 1875 zou voor zijn examen in 1950 zakken ais een baksteen. Zijn salaris was zeer laag en de “matresse“ (vrouw van de hoofdonderwijzer) kende dan ook in haar huis heus geen weelde. Haar man was in de regel wel verplicht er allerlei bijbaantjes bij waar te nemen. De bovenmeester van het dorp was tevens klokkeluider en 's Zondags in de kerk “opheffer“ (voorzanger) bij het gezang der gemeente.

De tweede stand werd gevormd door de boeren. Zij waren het, die het dorpsleven in al zijn schakeringen “droegen“. Uit hun midden kwamen niet alleen de wethouders en raadsleden voort, maar ook de leden van de kerkeraad en kerkvoogdij. Soms was één hunner ook burgemeester.

Zij vielen elkaar zelden af. Wel hadden zij soms geschillen of zelfs diepgaande veten onder elkaar, maar in hun houding ten opzichte van de ambachtslui of arbeiders waren zij altijd eensgezind. Zorgvuldig waakten zij er voor lieden van hoger stand te krenken of te ontstemmen, vooral, wanneer deze hun pachtheren waren. Over het algemeen waren zij oer-conservatief, fel gekant tegen alle veranderingen, uiterlijk zeer godsdienstig en tamelijk intelligent. Zij bezaten doorgaans een te groot gevoel van eigenwaarde, dat niet zelden leidde tot tyranniek optreden, maar waren zonder uitzondering kundige landbouwers en nijvere werkers, trouw aan het gegeven woord, eerlijk en oprecht. Zij waren dan ook strikt rechtvaardig voor de arbeiders, hoe zeer zij ook op deze neerzagen.

De ambachtslui waren door hun werk merendeels afhankelijk van de boeren; hun arbeid werd vaak zeer slecht betaald. Ook de kampboeren vormden een afzonderlijke stand. Hun bezit aan eigen- of pachtgrond was niet groot genoeg om er personeel op na te kunnen houden. Het waren vlijtige mensen uit bittere noodzaak: het gezin van de kampboer werkte van ’s morgens heel vroeg tot het duister om een schamele boterham te kunnen bemachtigen. Ja, zelfs kwam het voor, dat een kampboertje bij heldere maan 's nachts om 3 uur tarwe sneed! Wat deze mensen presteerden, zou de jongere generatie zich niet meer kunnen voorstellen en het wonderlijke was, dat er vrijwel nooit geklaagd werd. ...

De onderste laag der Walcherse maatschappij werd gevormd door de landarbeiders, de vaste en losse werklieden. Leefden de laatsten van de hand in de tand, de vaste arbeiders hadden een weinig minder hard leven. De lonen konden haast niet lager zijn: negentig cent per dag was het gewone loon voor een volwaardige arbeider! Arbeider en gezin werden gerekend even zeer bij de boerderij te horen als paard en koe, met dit verschil, dat de boer meer hart bezat voor zijn beesten dan voor zijn werkvolk. Ter verontschuldiging kon bij aanvoeren, dat hij niet beter wist of het hoorde zo, al was dat natuurlijk een zwak excuus.

De werkman was volkomen aan de genade van zijn meester overgeleverd; geraakte hij met hem in onmin en moest hij de laan uit (vaak buiten zijn schuld), dan behoefde hij er niet op te rekenen op een andere hofstede arbeid te vinden. Veelal werkte bij dan ook in voortdurende vrees voor de patroon.

's Zomers werkte de arbeider “van zunne tot zunne“- van zonsopgang tot zonsondergang -en in de herfst was het weinig beter. Dan stond bij in de mestput om de wagens met mest te laden of rooide bij de bieten. Van november tot april dorste bij met de vlegel en werkte al die tijd in het opstuivend stof. Wanneer erwten gedorst moesten worden, waren de condities nog veel slechter. De arbeiders konden echter tegen een stootje, want zij waren van een stevig en taai ras.

Erger dan de lage lonen was het besef, dat men op de boerderij niet in tel was. Een oude werkman vertelde ons de volgende berinnering aan zijn vader:
“'t Is zestig jaer gelee en toch, ik erinner 't me nog zo goed. Vaoder was 'n man van weinig praotjes; 'n kalme bedaerde man, die stil z'n eigen weg gieng. Op 'n middeg kreeg ie woorden mee z'n boer over het dossen (dorsen). Vaoder was in z'n recht, och -naturelik was er geen recht. 's Aevens las ie in de Biebel 'n kapittel. Dae kwam onderandere in voor over het graf “Daer oue de bozen op van beroerienge, dae ruste de vermoeide van kracht. De kleine en de grote is daer en de knecht vrie van zijn 'eer. Waerom geeft Hij de ellendigen het licht en 't leven de bitterlijk bedroefden van gemoed?"...... Toen kon de goede man nie meer; ie rees op en gieng nae buten en moeder, zo wit as 'n doek, gieng 'm acbteran.”

De vrouw van de arbeider woonde doorgaans in een “kokkerolletje van ’n huusje”, waar niet veel aan kant te maken was. Maar zij had meer te doen dan haar schamel huishoudentje te bestieren: er werd veel te veel van haar gevergd en nooit kwam zij klaar met de arbeid. Was haar man los arbeider, dan moest zij er op uit om ook wat te verdienen, was hij vast, dan moest zij op de hofstede helpen, wanneer de boer dat nodig achtte. En hij vond het haast altijd nodig. Vooral in het voorjaar en in oogsttijd moest zij onverpoosd aanpakken en zich afbeulen, op het land en in de boerderij, waar de boerin met haar vingers langs lijsten en richels veegde om te zien of de werkvrouw niets vergeten had: “as je twee kwartjes loon moet neertellen voor een dag werk mag je toch wè verge, dat ze niet an de lucht ’ange!”

Als de arbeidersvrouw haar baby nog ze1f voedde werd deze meegenomen naar het veld en achter een tervestuke (tien overeind staande schoven) gelegd, bezat zij grotere kinderen, die nog niet naar school gingen, dan bracht ze die bij een oudere vrouw, die er voor tien cent “per stuk” een dag op paste. Kwam de vrouw ‘s avonds laat thuis, dan kon zij daar weer aan de slag gaan -bij het petroleumlampje aardappelen schillen, groente schoonmaken, naaien en stoppen. Zij had inderdaad een slavenleven. Geen wonder, dat deze vrouwen versleten waren voor haar tijd, spoedig sloofjes waren, die voor weinig meer belangstelling konden hebben. In de laatste jaren der 19e eeuw begon er gelukkig verandering te komen; vele vrouwen vonden emplooi in tuinbouw- en fruittelersbedrijven, waar zij met de pluk van zwarte bessen en augurken veel en veel meer verdienden dan bij de boer, terwijl het lichtere arbeid was.

Men kan zich afvragen hoe de landarbeiders destijds konden rondkomen, waarom zij niet in opstand kwamen. Wat het eerste betreft: ze hadden nog wel enkele bijverdiensten. De meesten mestten een varken, hielden enkele geiten en verbouwden hun eigen aardappelen. En in opstand komen? Er was geen andere stand, die zich hun lot aantrok. De arbeiders beseften ook nog niet wat zij door samenwerking hadden kunnen bereiken. Het was elk voor zich en als een hunner de euvele moed had tegen zijn baas op te staan, belandde hij in minder dan geen tijd op de keien.

Bovendien, niet de diepe ellende, maar het uitzicht op mogelijke verlossing uit de nood stimuleert tot opstand en verzet. En dat uitzicht bezaten de arbeiders niet.

Jan Vader